Box 3: waarom obligaties nu fiscaal gunstig zijn

Leestijd

4–6 minuten
Vrouw achter computer met AED

In het kort

Eind juni 2026 heeft de Eerste Kamer de stemming over het nieuwe box 3-stelsel op basis van werkelijk rendement opnieuw uitgesteld tot na het zomerreces. Tot minimaal 2028 blijft daarom het huidige stelsel van fictief rendement gelden. Dit fictieve rendement bedraagt 6,00 procent in 2026. Dat betekent dat beleggers die een hoger werkelijk rendement behalen, op dit moment belasting betalen over een lager bedrag dan hun daadwerkelijke rendement.

Zodra het nieuwe stelsel wel ingaat, verandert de situatie voor aandelen en obligaties bovendien niet op dezelfde manier. Obligaties met een vaste, periodieke uitkering ondervinden dan nauwelijks nadeel. Aandelen, waarvan een deel van het rendement bestaat uit nog niet verzilverde koerswinst, worden zwaarder geraakt. Dat verschil lichten we hieronder toe.

Wat is de stand van zaken rondom box 3?

Het kabinet wil belasting kunnen heffen over de daadwerkelijke inkomsten uit vermogen in plaats van over een fictief bedrag. Daarom is het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 op 12 februari 2026 door de Tweede Kamer aangenomen.

Het voorstel ligt sindsdien bij de Eerste Kamer. Op 30 juni 2026 debatteerde de senaat hierover, maar stelde de definitieve stemming uit. Dat geeft het kabinet de gelegenheid om het voorstel deze zomer op onderdelen aan te passen. Pas na hernieuwde behandeling in de Tweede Kamer stemt de senaat opnieuw. De beoogde ingangsdatum blijft vooralsnog 1 januari 2028.

Zolang dit stelsel niet is ingevoerd, geldt het huidige overbruggingsstelsel: belasting over een fictief (forfaitair) rendement, niet over het werkelijk behaalde rendement.

Wat betekent het huidige stelsel voor beleggers in vastrentende waarden?

Voor 2026 rekent de Belastingdienst met een fictief rendement van 6,00 procent op de categorie “overige bezittingen”. Hieronder vallen aandelen, obligaties en leningen. Over dat fictieve rendement wordt 36 procent belasting geheven, ongeacht het werkelijk behaalde rendement.

Praktisch gevolg: als het werkelijke rendement op een obligatie of lening hoger ligt dan 6,00 procent, betaalt de belegger relatief minder belasting dan wanneer de Belastingdienst met het daadwerkelijke rendement zou rekenen. Bij een lager werkelijk rendement kan een belegger dit via de tegenbewijsregeling corrigeren, door het eigen daadwerkelijke rendement door te geven aan de Belastingdienst.

Obligaties en leningen versus aandelen: het verschil in het huidige stelsel

Fiscaal worden aandelen en obligaties in het huidige stelsel gelijk behandeld: beide vallen onder dezelfde categorie “overige bezittingen”, met hetzelfde fictieve rendement. Het onderscheid zit niet in de belastingdruk, maar in het risicoprofiel:

  • Obligaties en leningen kennen doorgaans een vooraf vastgestelde rente en aflossingsstructuur, met een voorspelbaarder verloop dan aandelenkoersen.
  • Aandelen kennen een variabeler rendement, met kans op zowel hogere koerswinsten als koersverliezen.

Bij aandelen kan een belegger dus profiteren van een hoger rendement in goede jaren, maar ook onder het fictieve percentage van 6 procent uitkomen of verlies maken. Bij obligaties of leningen met een vast rentepercentage boven de 6 procent pakt het fictieve percentage juist gunstig uit: de belegger betaalt standaard belasting alsof er 6 procent rendement is gemaakt, ook als het werkelijke rendement hoger ligt.

Meer over het verschil tussen beleggen op de beurs en het beleggen via obligaties leest u hier. 

Wat verandert er vanaf 2028, en voor wie?

Vanaf de beoogde invoering van het nieuwe stelsel wordt niet langer een fictief percentage belast, maar het werkelijke rendement. Voor de meeste vermogensbestanddelen, waaronder beursgenoteerde aandelen, geldt daarbij als hoofdregel een vermogensaanwasbelasting. Dat betekent dat niet alleen de reguliere voordelen (rente, dividend) worden belast, maar ook de waardeontwikkeling van het vermogensbestanddeel in dat jaar, gerealiseerd én ongerealiseerd. Dus bijvoorbeeld ook de koerswinst op aandelen die nog niet zijn verkocht.

Voor onroerend goed en aandelen in startende en doorgroeiende ondernemingen (start-ups en scale-ups) is een uitzondering voorgesteld: daar telt alleen de gerealiseerde waardeontwikkeling mee. Beursgenoteerde aandelen (zoals Fastned) vallen echter niet onder die uitzondering.

Dit raakt aandelen en obligaties niet op dezelfde manier:

  • Aandelen: bij een fonds als Fastned bestaat een substantieel deel van het rendement uit koerswinst. Onder de vermogensaanwasbelasting wordt die koerswinst jaarlijks belast, ook als de belegger de aandelen niet heeft verkocht en dus geen geld heeft ontvangen. Dat kan tot een liquiditeitsprobleem leiden: belasting betalen over winst die nog niet is verzilverd. Bij een koersdaling is wel verliesverrekening met latere jaren mogelijk.
  • Obligaties en vergelijkbare vastrentende instrumenten: het rendement bestaat volledig uit rente die daadwerkelijk wordt uitgekeerd. Dat is al een regulier voordeel en dus sowieso onderdeel van het werkelijke rendement, ongeacht welk stelsel geldt. Zonder koerswaarde die op de markt fluctueert, is er simpelweg geen ongerealiseerde waardeontwikkeling om te belasten.

Waarom dit voor Pulse4all-obligaties relevant is

De Pulse4all-obligaties keren een vaste, periodieke rente uit en kennen geen beursnotering of onderliggende koers die stijgt of daalt. Het rendement is in elk jaar volledig regulier en direct ontvangen, niet voor een deel opgebouwd als nog niet verzilverde waardestijging.

Praktisch betekent dit: de overgang naar een vermogensaanwasbelasting in 2028 verandert voor dit type instrument weinig tot niets aan de fiscale behandeling. Bij een beursgenoteerd aandeel zoals Fastned kan een deel van het rendement, de koerswinst, daarentegen al in de heffing komen voordat het daadwerkelijk is gerealiseerd. Dat is een structureel verschil in fiscale gevoeligheid tussen beide instrumenten, los van het fictieve-rendementvoordeel dat tot 2028 geldt.

Kortom

Wie nu belegt in vastrentende waarden, profiteert mogelijk van het verschil tussen het fictieve en het werkelijke rendement onder het huidige stelsel. Dat voordeel hangt af van de eigen fiscale situatie en vervalt zodra het nieuwe stelsel ingaat. Het structurele verschil tussen aandelen en vastrentende instrumenten blijft echter ook daarna bestaan: aandelen met koerspotentieel lopen bij een vermogensaanwasbelasting het risico dat ongerealiseerde winst al wordt belast, terwijl instrumenten met een vaste periodieke uitkering zonder koersvorming dat risico niet kennen.

Dit is geen fiscaal- of beleggingsadvies. Raadpleeg een belastingadviseur voor advies over de eigen situatie. 

Gerelateerde artikelen